Beschrijving

Hieronder staan alle gebruikte TalentConnect® competenties uitgelegd. Klik op de naam van de competentie om de betreffende uitleg te openen.

Competentie 1: Opmerken

Signalen vanuit personen, organisatie en samenleving opvangen en gebruiken. Voorbeeldvragen zijn: “Merkt het snel als er iets aan de hand is met een ander” en “Weet goed wat er in de omgeving allemaal gebeurt”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen vaak verrast worden door wat er bij andere mensen of in de omgeving gebeurt, omdat ze het niet zien aankomen. Ook zullen ze wel eens onattent of onoplettend genoemd worden. Mensen die hier goed in zijn zullen alert kunnen reageren, omdat ze in een vroeg stadium merken dat er iets gebeurt of voelen aankomen wat er gaat gebeuren. Soms kan een nadeel zijn dat ze snel afgeleid zijn.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij je kleine veranderingen moet kunnen opmerken. Bijvoorbeeld dat iemands stemming verandert, dat het kouder wordt of dat een meter op een regelpaneel oploopt.

Competentie 2: Initiatief nemen

Uit zichzelf handelen; kansen gebruiken; iets ondernemen, ook als dit risico met zich meebrengt. Voorbeeldvragen zijn: “Neemt vaak het initiatief” en “Durft als eerste een probleem aan de orde te stellen”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen vaak wat afwachtend zijn en daardoor anderen voor laten gaan of kansen missen. Mensen die hier goed in zijn zullen zelf in actie komen, zonder de aansporing of het voorbeeld van een ander nodig te hebben. Soms kan een nadeel zijn dat men te snel is, te veel risico neemt of dat men anderen te weinig aan bod laat komen.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij eigen initiatief belangrijk is om kansen te benutten en resultaat te behalen.

Competentie 3: Analyseren

Complexe informatie begrijpen; verbanden leggen; conclusies trekken. Voorbeeldvragen zijn: “Begrijpt bij een moeilijk probleem snel wat de kern is” en “Weet uit verwarde informatie scherpe conclusies te trekken”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen wel eens in de war raken als ze met ingewikkelde problemen of verhalen geconfronteerd worden: waar gaat het eigenlijk om? Waarom vertellen ze me dit? Wat heeft het met elkaar te maken? Mensen die hier goed in zijn zullen in staat zijn om verbanden te leggen en conclusies te trekken, ook als de situatie en de informatie warrig zijn. Zij kunnen een ingewikkeld probleem opdelen, zodat het oplosbaar wordt. Nadeel kan zijn dat men soms te veel met het verstand en te weinig met gevoel of actie werkt.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij veel complexe informatie verwerkt en begrepen moet worden.

Competentie 4: Beslissen

Tot een afweging en besluit komen. Voorbeeldvragen zijn: “Weet in complexe situaties de juiste beslissing te nemen” en “Is bij het nemen van beslissingen zorgvuldig en toch doortastend”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen moeite hebben om ingewikkelde afwegingen te maken en tot een keuze te komen. Zij zullen wel eens lang blijven twijfelen en uiteindelijk een beslissing nemen waar ze naderhand spijt van hebben. Mensen die hier goed in zijn zullen bij het nemen van beslissingen zorgvuldig en toch doortastend zijn. Zij gebruiken de beschikbare informatie op een evenwichtige manier. Soms zullen zij misschien te veel de verantwoordelijkheid krijgen of nemen.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij belangrijke en ingewikkelde beslissingen genomen moeten worden.

Competentie 5: Creëren

Met nieuwe ideeën, benaderingen of oplossingen komen. Voorbeeldvragen zijn: “Komt vaak met nieuwe ideeën” en “Wordt door anderen gezien als creatief”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen het moeilijk vinden om iets nieuws te bedenken. Zij zitten dan vast in een denkpatroon, waardoor ze alleen maar op al bekende oplossingen of ideeën komen. Mensen die hier goed in zijn zullen door anderen gezien worden als creatief, geestig of origineel. Zij hebben ideeën waar anderen niet gauw opkomen. Soms kan een nadeel zijn dat zij niet gauw tevreden zijn met het bekende. Soms werken zij ideeën te weinig uit, zodat er uiteindelijk niets mee gebeurt.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij het belangrijk is om met nieuwe ideeën, benaderingen of oplossingen te komen.

Competentie 6: Plannen en organiseren

Activiteiten, middelen en mensen uitzetten in de tijd om een doel te realiseren. Voorbeeldvragen zijn: “Kan goed inschatten wat er nodig is om een plan uit te voeren” en “Maakt plannen en begrotingen die kloppen”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen het moeilijk vinden om voor zich te zien wat er allemaal moet zijn en gebeuren om een doel te bereiken. Zij schatten bijvoorbeeld verkeerd in hoe lang een klus zal duren, wie ‘t het best kan doen en wat het zal kosten. Mensen die hier goed in zijn zullen plannen maken die ook echt gerealiseerd kunnen worden. Zij kunnen goed vooruit denken en zetten zichzelf, andere mensen en middelen op een efficiënte manier in. Soms zullen zij er moeite mee hebben als iets onvoorziens het plan in duigen gooit.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij de inspanningen van mensen en middelen gecoördineerd moeten worden om doelen te bereiken.

Competentie 7: Volhouden

Doorzetten, ook bij tegenslag. Voorbeeldvragen zijn: “Houdt vol, ook als het tegenzit” en “Is in staat klussen te doen waar lang en hard voor gewerkt moet worden”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen de neiging hebben om op te geven als een klus tegenvalt of als resultaat uitblijft. Zij zijn makkelijk ontmoedigd door anderen die sceptisch zijn of door obstakels. Mensen die hier goed in zijn zullen doorzetten, ook als er tegenvallers zijn, als anderen zeggen: “geef het toch op” of als het moeilijker is of langer duurt dan verwacht. Een nadeel van volhouden kan soms zijn dat men zich vastbijt in een doel dat niet meer te realiseren is, met hevige teleurstelling tot gevolg.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij tegenslag moet worden overwonnen of het lang duurt om resultaat te boeken.

Competentie 8: Flexibel reageren

Iets anders doen dan je gewend bent of van plan was, als de situatie dat vraagt. Voorbeeldvragen zijn: “Weet zich goed aan te passen als de omstandigheden zich wijzigen” en “Reageert soepel op verrassingen, zowel aangename als onaangename”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen makkelijk in de war raken als de vertrouwde gang van zaken verstoord wordt. Zij vinden het vaak moeilijk om in nieuwe situaties te functioneren of zich aan te passen aan ongewone omstandigheden of mensen die “anders” zijn. Mensen die hier goed in zijn zullen soepel reageren op verrassingen, zowel aangename als onaangename. Zij passen hun plannen of manier van doen makkelijk aan als de omstandigheden wijzigen. Soms laten zij hun doelen iets te makkelijk schieten.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij je vaak met nieuwe of onverwachte situaties geconfronteerd wordt en moet improviseren.

Competentie 9: Functioneren onder spanning

Effectief zijn in situaties waarin druk bestaat, bijvoorbeeld tijdsdruk, risico, emoties. Voorbeeldvragen zijn: “Houdt in chaotische situaties de controle over zichzelf” en “Blijft rustig bij confrontaties met agressieve mensen”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen moeite hebben om in chaotische omstandigheden het hoofd koel te houden. Zij zullen onder hoge druk soms niet weten wat ze moeten doen of kunnen in paniek raken. Mensen die hier goed in zijn zullen in spannende situaties rustig en effectief blijven, bijvoorbeeld optreden in een noodsituatie. Nadeel kan zijn dat men spanning nodig heeft om zich prettig te voelen, met andere woorden er moeite mee heeft als er “niets” gebeurt.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij je onder druk staat, bijvoorbeeld dat er veel moet gebeuren in heel korte tijd, dat er belangrijke dingen mis kunnen gaan of dat er veel emoties zijn.

Competentie 10: Mondeling communiceren

In mondeling contact anderen begrijpen en begrepen worden. Voorbeeldvragen zijn: “Voelt goed aan wat een ander bedoelt” en “Spreekt duidelijk, zodat iedereen het verstaat”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen vaak moeite hebben om precies te begrijpen wat anderen willen zeggen of om zelf duidelijk uit te drukken wat men bedoelt. Bijvoorbeeld moeite hebben om de juiste woorden te vinden of onduidelijk of hakkelend praten. Mensen die hier goed in zijn zullen goed kunnen luisteren, goed kunnen aanvoelen wat anderen bedoelen en er goed voor kunnen zorgen dat anderen hen goed begrijpen.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij gepraat wordt met andere mensen.

Competentie 11: Schriftelijk communiceren

In schriftelijk contact anderen begrijpen en begrepen worden. Voorbeeldvragen zijn: “Kan goed schriftelijk communiceren, ook met mensen die heel anders zijn” en “Weet zo te schrijven, dat anderen het graag lezen”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen vaak moeite hebben om precies te begrijpen wat anderen met hun geschreven taal willen zeggen of om zelf schriftelijk duidelijk uit te drukken wat men bedoelt. Bijvoorbeeld moeite hebben om de juiste woorden te vinden of veel schrijffouten maken. Mensen die hier goed in zijn zullen goed kunnen lezen en goed kunnen aanvoelen wat anderen bedoelen. Zij kunnen op zo een manier schrijven dat anderen het graag lezen en goed begrijpen.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij schriftelijke communicatie een grote rol speelt.

Competentie 12: Helpen

Inzet en middelen bieden voor het bereiken van doelen van ander(en). Voorbeeldvragen zijn: “Snapt goed wat een ander nodig heeft en probeert dat te bieden” en “Weet anderen een tevreden gevoel te geven”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen het vaak lastig vinden om zich dienstbaar op te stellen en het doel of de wensen van een ander voorrang te geven boven het eigen belang. Mensen die hier goed in zijn zullen er bevrediging in vinden om andere mensen te helpen. Zij begrijpen wat een ander nodig heeft en spannen zich graag in om dat te bieden. Nadeel kan zijn dat men zichzelf soms te veel wegcijfert en het eigenbelang uit het oog verliest.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij het belang van anderen voorop staat.

Competentie 13: Netwerken

Een relatienetwerk opbouwen, instand houden en benutten. Voorbeeldvragen zijn: “Kent veel mensen” en “Knoopt makkelijk relaties aan met onbekenden”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen het vaak moeilijk vinden om contact te leggen met onbekenden of om veel contacten te blijven onderhouden. Zij worden zelf niet vaak benaderd voor hulp of informatie. Mensen hier goed in zijn zullen veel mensen kennen en makkelijk mensen met elkaar in contact brengen. Zij kennen bijvoorbeeld de juiste persoon voor informatie of hulp of ze weten zo iemand snel te vinden. Nadeel kan zijn dat het onderhouden van contacten soms zo veel tijd kan kosten dat het “eigen” werk daardoor in de knel komt.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij het belangrijk is een relatienetwerk op te bouwen, in stand te houden en te benutten.

Competentie 14: Controleren

Nagaan of eigen of andermans handelingen of producten voldoen. Voorbeeldvragen zijn: “Controleert regelmatig of werkzaamheden volgens planning verlopen” en “Let op dat gemaakte beloftes worden nagekomen”.

Mensen die dit moeilijk vinden vinden het vaak vervelend om zichzelf of anderen te controleren of zien daar het nut niet van in. Ze leveren daardoor wel eens werk af met tekortkomingen. Mensen die hier goed in zijn controleren regelmatig of werkzaamheden volgens de planning en specificaties verlopen en of er geen fouten worden gemaakt. Nadeel van veel controleren is dat dit het tempo kan verlagen en dat soms te veel op details wordt gelet.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij het belangrijk is dat er geen fouten worden gemaakt of waarbij grote zorgvuldigheid noodzakelijk is.

Competentie 15: Leidinggeven

Invloed en sturing uitoefenen. Voorbeeldvragen zijn: “Kan anderen goed ergens van overtuigen” en “Neemt vaak spontaan de leiding of wordt door anderen als leider aangewezen”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen het vaak moeilijk vinden om anderen ergens van te overtuigen, invloed uit te oefenen of iets van anderen gedaan te krijgen. Mensen die hier goed in zijn zullen vaak een natuurlijk gezag uitstralen. Zij nemen vaak spontaan de leiding of worden door anderen als leider aangewezen.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij een persoon, team of bedrijf leiding nodig heeft.

Competentie 16: Zelfsturing en -ontwikkeling

Lering trekken uit ervaringen en het eigen ontwikkelingsproces sturen. Voorbeeldvragen zijn: “Werkt doelgericht aan de eigen ontwikkeling” en “Denkt na over hoe dingen gegaan zijn om te zien of het volgende keer beter kan”.

Mensen die dit moeilijk vinden zullen niet goed weten wat ze willen en kunnen. Zij hebben geen of onrealistische doelen voor hun leven of loopbaan, of ze laten hun lot aan anderen of aan de omstandigheden over. Mensen die hier goed in zijn zullen nadenken over hun ervaringen en een duidelijke visie hebben op zichzelf en de toekomst. Hierdoor kunnen ze heldere en realistische doelen stellen en steeds (bij)sturen om deze te bereiken. Nadeel kan zijn dat men niet openstaat voor onverwachte kansen.

Deze competentie komt goed van pas bij werkzaamheden waarbij de persoon zelf de eigen loopbaanontwikkeling moet sturen; in steeds meer banen en bedrijven dus!

Disclaimer | Werken bij | © 2019 – upUco Coach a Colleague B.V.

×
×

Winkelmand